|
Als je het Oude Testament vanaf het begin
doorleest, kom je op verschillende plaatsen (Goddelijke) bepalingen en
uitspraken tegen over de sabbat.
Toen God de wereld geschapen had, rustte Hij. ‘Toen
God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op
de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk,
dat God scheppende tot stand had gebracht.’
Vanaf het allereerste begin wordt de zevende dag door de Almachtige
apart gezet. God zelf heeft bepaald dat de zevende dag bijzonder zou zijn,
anders dan de voorgaande zes.
De eerste keer dat het woord ‘sabbat’ in het OT
voorkomt, is in Exodus 16:23. De Israëlieten kregen tijdens de woestijnreis
manna uit de hemel, dat ze elke ochtend konden verzamelen en dat maar één dag
houdbaar was. Maar op de zesde dag moest het volk twee keer de benodigde
hoeveelheid verzamelen, omdat de zevende dag een rustdag was. ‘Dit is wat de
HERE gezegd heeft,’ zei Mozes, ‘een
rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de HERE.’
Vervolgens worden de tien geboden gegeven in
Exodus 20, en het vierde gebod luidt: ‘Gedenk de sabbatdag, dat gij die
heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is
de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon,
noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch
de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de HERE de hemel
en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende
dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die.’ (vers 8-11). De
zevende dag was een gezegende dag, door God apart gezet, waarop God rustte van
zijn scheppingswerk.
In Exodus 31:12 e.v. herinnert God de
Israëlieten aan het sabbatsgebod. ‘De HERE zeide tot Mozes: Gij dan, spreek
tot de Israëlieten: maar mijn sabbatten moet gij onderhouden, want dat is een
teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht, zodat gij weet, dat Ik de
HERE ben, die u heilig. Gij zult de sabbat onderhouden, want deze is iets
heiligs voor u; wie hem ontheiligt, zal zeker ter dood gebracht worden, want
ieder die daarop werk verricht, zal uitgeroeid worden uit het midden van zijn
volksgenoten.’ De sabbat wordt hier
een teken genoemd, dat eraan herinnert dat de Israëlieten door God zijn
afgezonderd als zijn uitverkoren volk. De sabbat is de trouwring waaraan
iedereen kan zien dat Israël Gods bruid is. Bovendien blijkt hier dat het
sabbatsgebod een bepaling is waar geen einde aan komt (‘van geslacht tot
geslacht’), en dat overtreders zwaar werden gestraft. Dit wordt geïllustreerd
in Numeri 15:32 e.v., waar een man die werkt op de sabbat, wordt gestenigd, ‘zoals
de HERE Mozes geboden had’ (vers 36).
In Deuteronomium 5 wordt het volk herinnerd aan
de wetgeving op de Sinaï (Exodus 20). Het sabbatsgebod wordt ook hier genoemd,
maar er wordt iets aan toegevoegd. ‘Onderhoud de sabbatdag, dat gij die
heiligt, zoals de HERE, uw God, u geboden heeft’ (vers 12). Men moest ook
alle werknemers en zelfs de werkdieren een dag vrij geven. ‘Want gij zult
gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de
HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een
uitgestrekte arm; daarom heeft u de HERE, uw God, geboden de sabbatdag te
houden’ (vers 15). Behalve als herdenking van de voltooiing van de
schepping, diende de sabbat ook als gedenkdag van de bevrijding door God van
het volk uit Egypte.
Wat hield dat in, het ‘onderhouden’ van de
sabbat? Uit bovenstaande teksten blijkt dat
God niet wilde dat men werkte op de sabbat, of voor zich liet werken.
Uit Nehemia 10:31 wordt duidelijk dat dat ook betekende dat er niets werd
gekocht op die dag. ‘[Wij verplichtten ons dat wij] wanneer de volken des
lands koopwaar en allerlei koren op de sabbatdag ten verkoop zouden brengen,
van hen op de sabbat of op een heilige dag niet zouden kopen.’ Nehemia laat zelfs gebieden dat de poorten
van Jeruzalem op de sabbat gesloten blijven, zodat de kooplieden er niet binnen
kunnen en de Judeeërs de sabbat niet meer kunnen ontheiligen door op die dag
handel te drijven (Nehemia 13:15 e.v.).
Als je de sabbat onderhield, beloofde God je
rijkelijk te zegenen, zowel de Israëlieten als de ‘vreemdelingen’. ‘En de
vreemdelingen die zich bij de HERE aansloten om Hem te dienen, en om de naam
des HEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn, allen die de sabbat
onderhouden, zodat zij hem niet ontheiligen, en die vasthouden aan mijn
verbond; hen zal ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde
bereiden in mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen
welgevallig zijn op mijn altaar, want mijn huis zal een bedehuis heten voor
alle volken’ (Jes. 56:6-7). ‘Indien gij niet over de sabbat heenloopt
door uw zaken te doen op mijn heilige dag, maar de sabbat een verlustiging
noemt, de heilige dag des HEREN van gewicht, en die eert door noch uw gewone
bezigheden te doen, noch uw zaken te behartigen, of ijdele taal uit te slaan,
dan zult gij u verlustigen in de HERE en Ik zal u doen rijden over de hoogten
der aarde en u doen genieten het erfdeel van uw vader Jakob, want de mond des
HEREN heeft het gesproken.’ (Jes. 58:13-14). Wat een geweldige beloften!
Het was bedoeld als een dag om naar te verlangen, om je in te verheugen, niet
een dag waarop je gebukt ging onder allerlei regels en verboden.
In het OT lees je dat de zevende dag, de
sabbat, door God Zelf wordt ingesteld als heilige dag, omdat Hij op die dag de
schepping heeft voltooid. Het moest een volledige rustdag zijn, waarop je zelf
niet mocht werken en ook je medemens rust moest gunnen, een dag waarop er niet
werd gehandeld. Het volk moest ook gedenken dat ze door God uit Egypte uit de
slavernij waren bevrijd. Het was een instelling voor altijd. Op ontheiliging van
de sabbat stond de doodstraf, maar als je de sabbat onderhield, beloofde God je
rijk te zullen zegenen.
Vragen of opmerkingen? Mail naar postmaster@waaromdesabbat.nl.